Ben jij ook zo benieuwd naar het geschenk van de Spannende Boeken Weken? Wil je lezen hoe Wat jij niet ziet van M.J. Arlidge begint? Lees hier het eerste hoofdstuk.

1

Ik vind het hier niet leuk. Ik wil weg.
Ik zit gevangen tussen lijven. Ze botsen tegen me aan, zweterig en achteloos, ze stoten me nu eens de ene kant op, dan weer de andere kant. Ik weet niet waar ik ben, ik weet niet welke kant ik op ga. Ik ben overgeleverd aan de willekeur van de mensenmassa, een slachtoffer van hun uitbundigheid – alleen, gedesoriënteerd en bang.

Zonet was er nog niets aan de hand. Ik wist precies waar ik was en ik voelde me op mijn gemak met alles wat er rondom me gebeurde. Maar toen werd plotseling alles anders. Van de andere kant van de ruimte klonk ineens een rauwe kreet, de muziek zwol aan tot orkaankracht en geluidsgolven beukten op me in als fysieke hamerslagen. De mensen werden wild. Meteen liet mijn metgezel me in de steek. Ze was een aardige vrouw, daar niet van, een voetreflexologe die Rachel heet, geloof ik – maar zodra het dansen begon ging ze ervandoor, op zoek naar haar vrienden. Ik was nog net een snelle afscheidsgroet waard, in alle haast over haar schouder geworpen. Ze wist dat ik blind was, maar dat leek onbelangrijk. Ze dacht alleen aan haar eigen plezier.

Ik doe een stap naar voren en probeer me een weg te banen door de feestende mensen, maar word opzij geramd met een schouderduw. Het is een heftige klap en ik wankel achteruit, bots tegen iemand anders op die al even uitgelaten lijkt, maar er volgt geen verontschuldiging, er wordt alleen gelachen, alsof het allemaal een leuk spelletje is. Maar ik vermaak me niet. Ik voel dat ik het benauwd krijg, dat iets me in zijn greep krijgt. O god, laat dit alsjeblieft geen complete paniekaanval worden. Niet hier.

De sfeer is volledig omgeslagen. Zojuist was het allemaal relaxed, intiem, nu regeren adrenaline en agressie. Iedereen gaat als een razende tekeer om maar te genieten. Ik wist precies waar ik me in de ruimte bevond, maar ben nu elk gevoel voor richting kwijtgeraakt. Ze zullen het licht wel hebben uitgedaan, anders kan ik niet begrijpen hoe het mogelijk is dat niemand er erg in heeft in wat voor benarde toestand ik verkeer. Al weet ik dat natuurlijk niet zeker. Ik dool verloren rond in duisternis en ben een hinderlijk obstakel te midden van mensen die plezier maken.

‘Hallo… Sorry…’

Mijn smeekbede gaat verloren in de heksenketel, wordt platgewalst door een dreunende bas. Ik steek een hand uit om houvast te zoeken – een muur, iemand die zich om me bekommert – maar tot mijn afgrijzen grijpt iemand mijn pols en sleurt hij me mee in een razende pirouette, keer op keer in de rondte. Even plotseling laat hij me weer los en struikel ik opnieuw achterwaarts. Ik voel dat ik zal vallen, maar ruwe handen grijpen me beet en trekken me weer overeind. Ik krijg een goedbedoelde, triomfantelijke klap op mijn schouder, direct daarna is mijn redder al weer weg en blijf ik buiten adem en met tranen in de ogen achter. Ik wil niet huilen, het is godbetert een feest, maar het lijkt wel of iedereen ineens tegen me is. Alsof ik in een hinderlaag ben gelopen.

Ik sta te trillen op mijn benen en ik ben duizelig. Buiten is het heet, maar in deze ruimte is het een oven. Ik voel het zweet in straaltjes over mijn rug lopen, over mijn borst. Mijn t-shirt is doorweekt. Ik wil niet flauwvallen, niet midden in die deinende mensenmassa, dus dring ik zo goed en zo kwaad als het gaat tussen de mensen door, op zoek naar een uitgang.

‘Hé, kijk verdomme uit waar je loopt…’

De verwensing volgt op een kreet van pijn. Ik ben op iemands voet gaan staan. Ik zeg sorry en kies een andere richting. Ik bots opnieuw tegen een paar dansende mensen op en krijg met een elleboog een harde por in mijn ribben. Ik kreun, de pijn is hevig, maar niemand lijkt iets te merken. Ik ben niet op een opvallende manier blind – mijn ogen zien er gewoon uit, ook al zijn ze nutteloos, en mijn stok zit veilig weggeborgen in mijn jasje – maar toch maakt het me razend. Zien ze dan niet dat ik het moeilijk heb? Dat ik van streek ben? Ik keer me om en roep de dader van die por tussen mijn ribben ter verantwoording, maar ik word alleen maar getrakteerd op meer muziek en uitbundig gelach, een deken van plezier waaronder ik me uiterst eenzaam voel. Nu begin ik toch te huilen.

‘Gaat het wel?’

Hij moet bijna schreeuwen om zich verstaanbaar te maken, maar toch klinkt er iets zorgvuldigs, iets kalmerends door in zijn stem.

‘Nee,’ antwoord ik. Ik walg van mezelf omdat het zo droevig en pathetisch klinkt.

‘Zal ik je even naar buiten helpen?’

Ik knik omdat ik mijn eigen stem niet meer vertrouw. Ik voel zijn hand nu om mijn elleboog en we komen in beweging, slalommend door de menigte langs een pad dat hij voor me baant.

‘Pas op, wij willen erlangs…’

We zijn nu de ruimte uit. Het volume van de muziek valt ineens voor een groot deel weg. Ik voel de hardhouten vloer van de gang onder mijn voeten.

‘Vind je het erg om even mee naar buiten te lopen?’

We lopen de donkere nacht in. Het is hier buiten amper koeler dan binnen. Net als de rest van het land zucht Manchester onder het juk van een hittegolf. Maar toch is het goed om buiten te zijn, omgeven door rust en stilte.

‘Hoe voel je je?’

Nu we weg zijn uit die mensenmassa komt zijn Ierse accent bovendrijven. Zijn stem klinkt zelfverzekerd, edelmoedig en vriendelijk. Dat zorgt ervoor dat ik me des te belachelijker voel. Ik stel me voor dat een lange, knappe Ier uittorent boven een zweterig, uitgefeest meisje en voel het leven langzaam uit me wegvloeien.

‘Het gaat wel. Ik wil alleen naar huis…’

‘Moet ik een taxi voor je regelen? Er is een standplaats net om de hoek…’

Ik voel dat hij niet weet wat hij met me aan moet – hij weet dat ik blind ben, maar is bang dat hij bevoogdend over zal komen, dus help ik hem uit zijn lijden.

‘Ik red me wel, bedankt.’

‘Echt, het is een kleine moeite…’

‘Nee, het gaat.’

Ik haal mijn telefoon tevoorschijn en geef Siri opdracht een Uber voor me te regelen. Vijf minuten later hoor ik het karakteristieke geluid van een elektrische auto, die pal voor me stilhoudt. Die vijf minuten heb ik besteed aan verontschuldigingen voor mijn gedrag, mijn uiterlijk en mijn onbeholpenheid.

‘Meestal ben ik niet zo hulpeloos, echt. Het was een heksenketel daarbinnen.’

‘Het komt door de hitte, dan gaan mensen rare dingen doen. Ik maakte me zorgen dat je iets zou overkomen…’

‘Ik ook. Dat lijkt me een vreselijke manier om dood te gaan, onder de voet gelopen op de maat van “Jump Around”…’

Tot mijn verbazing lijkt hij me ontwapenend te vinden, zelfs aantrekkelijk, geloof ik. Hij zegt dat ik me niet hoef te schamen en verfoeit het achteloze wangedrag van de dronken idioten daarbinnen. Het is raar: ondanks de situatie voel ik me tot hem aangetrokken – tot zijn rust, tot zijn ridderlijkheid, zijn warme, zelfverzekerde stem – maar gelukkig arriveert mijn Uber voordat ik mezelf nog meer te kijk zet.

Ik aarzel even als ik op het punt sta in te stappen. ‘Sorry, maar ik heb niet eens naar je naam gevraagd. Ik heet trouwens Emma…’

Ik steek mijn hand uit. Heel even denk ik dat hij die niet zal accepteren, maar dan voel ik hoe zijn warme hand zich om de mijne sluit.

‘Ik vond het leuk je te ontmoeten, Emma. Ik ben Mark.’

Verder lezen? Je krijgt Wat jij niet ziet t/m 30 juni cadeau van de boekhandel bij aankoop van €15 aan Nederlandstalige boeken. Ga dus snel naar de boekhandel.